Afscheid zonder afscheid
Afscheid zonder afscheid
28 november 2022 
in Invloed

Afscheid zonder afscheid

Ik schreef dit stukje het afgelopen weekend om inzicht te krijgen in mijn emoties omtrent het recente overlijden van mijn broer. Ik deel het met jou omdat je hierdoor ervaart dat er geen enkele emotie mij vreemd of onbekend is. Je bent veilig bij mij. 

Op de buffetkast bij mama staat je foto. “De dodengalerij”, noemt mijn neef het. We kijken ernaar. Ik zie je brandende ogen. De meester, de eigenaar van emoties in jouw directe cirkel. Indisch, je ogen verraden jouw afkomst, je schouders tonen jouw onverzettelijkheid. Mijn neef klinkt bedenkelijk. “Ik hoop niet dat dit rijtje binnenkort aangevuld wordt”. Hij kijkt naar mijn moeder. Mijn gedachten gaan terug naar de ochtend. Mijn telefoon trilt. Ik hoor haar wanhopige huilen: ”Mijn kind! Mijn kind!” Mama, je bent boos op haar gebleven, je veroordeelt haar schuldig, vertelt mijn zus:“ Nee, ik zeg niet wat hij allemaal weer tegen haar zegt. Het is erg”. 

Je laatste dagen, terwijl je bij ieder bezoek vraagt om dope. De dagelijkse updates van mijn zus, die vol ingehouden woede over je spreekt terwijl haar ogen zich vernauwen: ” Ik was zo blij toen ze hem wegvoerden, hier voor de deur”. We begrijpen het. Snappen het. “Ik heb mama een brief geschreven”, zegt ze met trillende stem. “Ik heb alles opgeschreven. Alle trauma’s die ik ervan heb”. Mijn moeder schrikt van de opsomming: ”Heb jij soms ook een trauma?” Op de bekende toon, die geen weerwoord wenst. Stel haar maar gerust, want daar wordt je op beoordeeld. Dan ben ik weer heel even goedgekeurd. 

Er was eens een jeugd. Die van jou en mij. We verstopten ons. Voor de handen en riemen. Voor achtervolging. We verdwaalden, om niet terug te hoeven. Bouwden tenten en hutten. Alsof het ons huis was. Bestelden als kinderen in een restaurant gado gado met kroepoek. Want als je groot bent, dan krijg je geen straf. 

Ondertussen stroomt de app vol. Ik zie hoe moe je bent, hoe bitter je blik is, hoe je op onze vader lijkt. Waar je niet meer mee sprak, en tegenover hem ging lopen op straat, als een voelbare veroordeling. Ik proef je weerzin. Je bent er nog, en hebt ons al 40 jaar in je greep. “Je zult het niet fijn vinden”, zegt mama, “maar hij krijgt straks precies hetzelfde als jij als ik er niet meer ben”. Ze gaf je genoeg voor een villa. “Natuurlijk mam”. We zijn zo sterk in het niet te zeggen geworden. 

Dan start de krakende kortsluiting. Zonder uitleg rijdt mijn zus plots onvermoeibaar, elke dag, naar jouw inrichting en legt ze haar hand liefdevol op die van jou, als een nachtzuster. Ik krijg er foto’s van. Ze zit geknield naast je bed. “Ga maar, laat nu maar los, want ik ben er…” Mijn bedrading kraakt en sist. “Ik doe het voor ons”, zegt ze. Ik slaap niet meer en daarmee starten de paniekaanvallen. Daar ben je weer, breeduit lachend, je donkere krullen wegduwend van je voorhoofd, terwijl je inbreekt in mijn kamer. Daar sluip je weer achter me, terwijl je de winkel leegrooft en de buit onderin mijn kinderwagen legt. Je grote lijf tegen de deur, terwijl je de flat van onze vader leegsteelt. Je hese lach, terwijl jij je kind bij me achterlaat en ik je aan moet geven, terwijl je wanhopige stem door het verlaten politiebureau schalt. Ertussendoor weeft zich een fijn web. Draden van herinnering waarin wij als kinderen met donker haar, en lichte ogen, zich stil houden op zolder. Waar we niet spreken, maar onze vinger bezwerend op onze mond leggen. Waarin we een eenheid smeden, en eigen taal spreken. Je vertelt dat je opa ziet, die dood is. Samen op de galerij, terwijl jij je hoofd door de tralies van de balustrade steekt. “Alleen jij weet hoe het is”, zeg je. Ik knik en denk aan je kamer in een leeg pand, vol vergeten voedselresten. Je luide stem, omdat je hardop bidt, op mijn logeerkamer, terwijl je lange benen en tenen met de kromme uitsteeksels, net als bij onze vader, voorbij de deur op de overloop liggen. Ik kijk weer op mijn telefoon. “Het is gebeurd”, zegt mijn zus. 

Aan de keukentafel bij onze moeder, dezelfde avond, de koffiekopjes op het tafelzeiltje met de ruiten, is er geen ruimte voor de razende storm in mijn hart. “Kijk”, zegt ze, ”Hij ziet er toch heel vredig uit?” Daar ben je. Eén oog half open, zoals wij allebei slapen. Je witte, magere gezicht, het zwarte krullende haar. De scherpe jukbeenderen. Dichterbij dan ooit. Zonder toestemming hebben de tentakels van de kilte je opgeslokt. Alleen je lijf is er nog, zonder de brandende ogen. “Oh ja”, zegt mijn moeder, “ Er is beslist dat jij er niet bij bent”. Een deken van lood blokkeert mijn gedachten: “Je bedoelt dat ik niet naar de begrafenis mag?” Ze knikt gedecideerd: ”Je zus natuurlijk wel. Ze heeft alles al geregeld. Je hoort wel hoe het was”. En weer vergeet ik dat ik kan spreken. 

Claudia

 

Reactie plaatsen